M-N-O

M

Magnesium is een mineraal dat essentieel is voor diverse lichaamsfuncties. Magnesium zit in veel voedingsmiddelen: graanproducten, groenten, melkproducten, vlees, noten, peulvruchten en chocola. In het lichaam wordt magnesium voornamelijk in de botten en spieren opgeslagen. Nodig voor:
  • De bouw en ontwikkeling van botten, tanden en spieren.
  • Het doorgeven van prikkels langs de zenuwbanen.
  • De functie van spieren, waaronder de hartspier.
  • De functie van diverse enzymen die betrokken zijn bij de stofwisseling.
 
Magnetic resonance imaging (MRI) is een beeldvormend onderzoek dat enigszins vergelijkbaar is met computertomografie (CT-scan) , alleen wordt bij MRI geen gebruik gemaakt van röntgenstralen. Het is gebaseerd op het principe dat de waterstofionen die in het menselijk lichaam aanwezig zijn, zich als rondtollende magneten gedragen als ze aan een magnetisch veld worden blootgesteld. Veranderen de kracht en de richting van dat magnetische veld, dan veranderen ook de hoeveelheden energie die uit de waterstofionen vrijkomen. Deze veranderingen worden op een film opgevangen en in beelden vertaald. Er kunnen met MRI zeer nauwkeurige afbeeldingen worden verkregen en dus ook heel kleine afwijkingen aan het licht worden gebracht.
 
Ménière, ziekte van is een aandoening van het binnenste deel van het oor (het binnenoor). De aandoening wordt gekenmerkt door herhaalde aanvallen van draaiduizeligheid (ook vertigo genoemd: een gevoel van draaiende of wervelende beweging), fluctuerend gehoorverlies, oorsuizen en een gevoel van druk in het oor. Meestal is slechts één oor aangetast.
 
Meningeoom 

is een gezwel dat uitgaat van het hersenvlies. Dit betekent dat het overal kan voorkomen waar het hersenvlies zich bevindt, van frontaal in het hoofd tot in het wervelkanaal en tot diep aan de schedelbasis. Het hoort in de groep goedaardige tumoren, die slechts zelden kwaadaardig wordt. De tumor komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. 
Het is een langzaam groeiende tumor, waardoor ook de verschijnselen van uitval langzaam en sluipend ontstaan. Dit is de reden waarom deze tumoren bij ontdekking vaak al behoorlijk groot kunnen zijn.

Tumor betekent letterlijk “gezwel”.  Zo’n gezwel kan goedaardig (benigne) of kwaadaardig (maligne) zijn. Soms echter is het gezwel niet of zeer moeilijk voor operatieve behandeling bereikbaar, waardoor slechts een deel ervan kan worden weggenomen.
Als dit het geval is gedraagt het meningeoom zich als kwaadaardig. Gelukkig is dit slechts bij een minderheid van de patienten het geval.

 
Meningokok De meeste bacteriën die meningitis= hersenvliesontsteking veroorzaken, bevinden zich in de neus- of keelholte. Meningokokken C worden van de ene mens op de andere overgebracht door hoesten, niezen of door direct contact zoals bijvoorbeeld zoenen. Een besmet iemand kan de bacterie enkele weken tot maanden bij zich dragen zonder daar ziek van te worden. In die periode kan hij/ zij wel andere mensen besmetten. De tijd tussen de besmetting en het optreden van de ziekte wordt de incubatieperiode genoemd en bedraagt in dit geval 3 tot 4 dagen.
 

Metacognitie kan worden omschreven als het beoordelen, analyseren en bewaken van het eigen denken. Dat betekent dat mensen zich bewust zijn van hun eigen gedachteprocessen en gedachtestrategieën en in staat zijn deze grotendeels te begrijpen. Het denken kan hierdoor worden geëvalueerd en eventueel aangepast.
Metacognitie bestaat uit beoordelingsvermogen , redenatievermogen en realiteitszin .

 

Migraine kan worden omschreven als het beoordelen, analyseren en bewaken van het eigen denken. Dat betekent dat mensen zich bewust zijn van hun eigen gedachteprocessen en gedachtestrategieën en in staat zijn deze grotendeels te begrijpen. Het denken kan hierdoor worden geëvalueerd en eventueel aangepast.

 

Misselijkheid Misselijkheid en overgeven zijn verschijnselen van een aandoening ergens in het lichaam en geen op zich staande ziekten. Misselijkheid wordt veroorzaakt door prikkeling van het braakcentrum in de hersenen. Vanuit hier wordt vervolgens een signaal afgegeven aan de maag waardoor overgeven optreedt.

 

Moeheid kan o.a.komen door: 

  • Een chronische neurologische ziekte, bijvoorbeeld MS of hersenletsel (bijvoorbeeld na een ongeval of door een beroerte). Zie onze pagina: vermoeidheid bij hersenletsel

 

Multipele sclerose  a

Multiple sclerose (MS)b

 

N

NAH- onzichtbare gevolgen zie ook onze pagina onzichtbare gevolgen en de pagina tips voor de mens met hersenletsel

 
Natrium  is een mineraal dat onderdeel uitmaakt van keukenzout (natriumchloride). Natrium zit van nature in veel voedingsmiddelen. Daarnaast krijgen we veel natrium binnen via het zout dat wordt toegevoegd aan diverse producten, tijdens het koken of aan tafel. Over het algemeen krijgen mensen in Nederland veel te veel natrium binnen. Natrium is nodig om de vochthuishouding en de bloeddruk van het lichaam op peil te houden. Ook is natrium nodig voor de geleiding van de prikkels langs de zenuwen en de werking van de spieren.
 

 

Neurologisch onderzoek :

 

Neuropsychologische therapie Een neuropsychologisch onderzoek (NPO) kan de gevolgen van het niet-aangeboren hersenletsel onderzoeken en in kaart brengen. Zo wordt duidelijk welke invloed de hersenbeschadiging heeft op het gedrag en het denken. Ook worden het leervermogen, de taalvaardigheid, het redeneren en de emotionele stabiliteit beoordeeld.
De neuropsycholoog werkt nauw samen met andere revalidatiespecialisten zoals een fysiotherapeut, ergotherapeuten logopedist. Het hele team stelt een behandelingsplan op. Hierin staat welke verschillende methoden zullen worden toegepast en wat de prognose is.
Een van de belangrijkste doelstellingen van neuropsychologische therapie is de patiënt en zijn familie inzicht te geven in de veranderde hersenfunctie en omgaan met de nieuwe situatie. De therapeut kan de gevolgen van de aandoening bespreken. Ook de veranderingen die nodig zijn in het dagelijks leven worden besproken. De patiënt krijgt voorlichting over de beperkingen van de aangedane lichaamsdelen en er wordt een manier geboden om de handicap te overwinnen. Het doel is om de patiënt zo veel mogelijk normale activiteiten te laten uitvoeren. Patiënten leren de handicap en de daaruit voortvloeiende veranderingen in hun leven te accepteren. 

 

Niet-taaldominante hersenhelft 

De linker- en rechterhemisferen zijn in veel opzichten asymmetrisch. De verhouding in hoeveelheid van verschillende celtypen varieert en ook de aanwezigheid van verschillende hormonen en neurotransmitters. De hersengebieden voor spraak, het centrum van Broca en hetcentrum van Wernicke, bevinden zich in de taaldominante hemisfeer; bij ongeveer 95% van de bevolking is dit de linkerhemisfeer.

Door kruising van de zenuwbanen in de medulla oblongata stuurt de linkerhersenhelft de rechterkant van het lichaam aan en omgekeerd. Ook de zintuigelijke informatie van ogen en oren gaat naar de tegengestelde hemisfeer.

Er wordt wel gezegd dat de taaldominante hemisfeer verantwoordelijk is voor logisch en ruimtelijk denken, en de niet-taaldominante voor intuïtie en creativiteit. Hierover is de wetenschap het echter nog niet eens (zie verder lateraliteit).

  

O

 
 
Onderkoeling Om de kerntemperatuur van het lichaam op 37 graden te handhaven, kent het lichaam twee vormen van verdediging tegen de kou. Als eerste zullen de vaten in de armen en benen samenknijpen, waardoor warmteverlies afneemt. Daarnaast komt extra warmte vrij door te rillen. Wanneer beide mechanisme onvoldoende werken, kan onderkoeling ontstaan. We spreken van onderkoeling als de lichaamstemperatuur onder de 35 graden komt. Bij een lichte onderkoeling is de persoon verward, versuft en kan hij/ zij moeilijk de situatie inschatten. Er ontstaat een verminderde coördinatie en toename van de hartfrequentie, bloeddruk en ademhaling. De persoon kan pijn in de handen en voeten hebben, rilt en klappertand. Wanneer de (matige)onderkoeling aanhoudt wordt men slaperig, het bewustzijn vermindert, de spieren verstijven en de ademhalings- en hartslagfrequentie zijn verlaagd. De eerdere pijn, het trillen en klappertanden verdwijnen in deze fase.
Bij een ernstige onderkoeling is de persoon bewusteloos en slap. De hartslag is zeer langzaam, er kan ademstilstand en hartritmestoornissen ontstaan. Soms is een aandoening van een bepaald hersendeel de oorzaak van de temperatuurregeling stoornis.
 
Onderkoeling en ouderen Naarmate het lichaam ouder wordt, is het minder goed in staat om zichzelf op temperatuur te houden. Dit geldt zeker wanneer iemand niet goed kan bewegen door aandoeningen als artrose of de ziekte van Parkinson . Ook ondervoeding en ondergewicht leiden sneller tot onderkoeling. Ouderen hebben vaak ook minder gevoel voor kou. Ze merken niet altijd dat hun lichaamstemperatuur daalt. Vooral bij dementerenden kan dit een probleem zijn. Bepaalde aandoeningen, zoals een vertraagde schildklierwerking , of bepaalde geneesmiddelen, zoals onrustmedicatie, kunnen de lichaamstemperatuur doen dalen. Na het drinken van alcohol is iemand extra vatbaar voor onderkoeling. Soms is een aandoening van een bepaald hersendeel de oorzaak van de temperatuurregeling stoornis.
 
 
Onderzoek door een psychiater bestaat uit:
  • Het uitvragen van de hoofdklacht en de behandelvraag.
  • Observaties. Bijvoorbeeld hoe verzorgd iemand is, of hij oogcontact maakt, of hij helder en samenhangend kan formuleren, en of hij de aandacht erbij kan houden.
  • Psychiatrische anamnese:
    o Geheugen en aandacht.
    o Hallucinaties en wanen.
    o Stemming (euforisch of juist somber).
    o Gedachtes aan zelfdoding.
    o Angst- en paniekklachten.
    o (Onverklaarde) lichamelijke klachten (pijn, vermoeidheid, seksuele klachten).
    o Dwanggedachten en dwanghandelingen.
    o Tics of hyperactiviteit.
    o Agressieve gedachtes of gedrag.
    o Persoonlijkheidsstoornissen.
  • Gegevens over het gebruik van alcohol, drugs en nicotine.
  • Psychiatrische voorgeschiedenis: gegevens over eerdere behandelingen en opnames.
  • Familieanamnese: gegevens over het voorkomen van psychiatrische ziektes in de familie.
    • Sociale anamnese: gegevens over scholing, werk, relaties, financiën.
    • Biografische anamnese: de levensloop van de patiënt vanaf de vroege jeugd. Hierbij komen zowel mijlpalen aan bod, als ook belangrijke verlieservaringen.
    • Heteroanamnese: gegevens van belangrijke personen, zoals een partner, kinderen, broers of zussen.
    • Lichamelijke anamnese: uitvragen van lichamelijke klachten, ziektes en medicijnen die iemand gebruikt.
  
Onderzoek van de coördinatie Het motorisch systeem, het evenwichtsorgaan in het oor en de kleine hersenen (cerebellum) moeten goed functioneren. De kleine hersenen spelen een belangrijke rol bij het coördineren van de bewegingen die onder controle staan van de wil, de bewegingen die niet onder controle staan van de wil en de reflexen
Het onderzoek van de manier van lopen begint al op het moment dat iemand de spreekkamer binnenkomt. Er wordt dan op gelet of iemand naar één kant overhelt, links en rechts verschillende armbewegingen maakt en/of abnormale stappen neemt. Daarnaast kan een test worden gedaan om eventuele evenwichtsafwijkingen aan het licht te brengen. De persoon in kwestie moet met aaneengesloten voeten en de armen langs het lichaam staan. Als hij/zij niet in staat is zo te blijven staan met de ogen dicht, is er sprake van het symptoom van Romberg. Om de coördinatie en balans tijdens het lopen te onderzoeken, kan verder worden gevraagd overeind te komen uit zittende positie, in een rechte lijn te lopen, stil te staan en weer te gaan lopen, zich om te draaien, rondjes te lopen enzovoort.
De coördinatie van de armen kan onder meer worden gemeten met de vinger-neusproef en met de rapid alteration test. Met de vinger-neusproef wordt beoordeeld in hoeverre de beweging vloeiend en nauwkeurig wordt uitgevoerd. Als iemand hierbij een bepaalde schudbeweging heeft (tremor), wordt dat genoteerd.
De persoon in kwestie moet met het topje van zijn/haar wijsvinger de eigen neus aanraken. Dit onderzoek wordt bij zowel de linker- als de rechterarm gedaan, met ogen open en met ogen dicht. De rapid alteration test wordt ook gedaan om de nauwkeurigheid en snelheid van de bewegingen te beoordelen. Hierbij moeten steeds twee verschillende bewegingen achter elkaar worden gemaakt. Een voorbeeld is snel wisselen van de houding van de hand. Eerst ligt de handpalm op het been, dan moet snel gewisseld worden naar de rug van de hand op het been, dan weer terug naar de handpalm enzovoorts. Beide zijden worden getest.
De coördinatie van de benen wordt getest met de hiel-knieproef en de hiel-teenproef (koorddansersproef). Bij de hiel-knieproef moet de persoon in kwestie de hiel van zijn/haar rechtervoet vanaf de linkerknie over het linkerscheenbeen naar beneden bewegen naar de linkervoet en weer terug. Dit gebeurt zonder te kijken. Bij de hiel-teenproef moet de te onderzoeken persoon op blote voeten in een rechte lijn lopen. Daarbij moet de hiel van de ene voet steeds tegen de tenen van de andere geplaatst worden. Denk hierbij aan het zelf-onderzoekje dat mensen vaak doen wanneer ze dronken zijn.
Daarnaast kan worden onderzocht of er sprake is van nystagmus. Dit zijn snelle onwillekeurige bewegingen van de ogen. Normaal gesproken heeft een persoon deze snelle horizontale bewegingen (van links naar rechts of van rechts naar links) alleen wanneer hij/zij in een bewegend voorwerp zit (auto of trein bijvoorbeeld) en naar buiten kijkt naar het landschap dat voorbij flitst. Wanneer een persoon dit heeft in rust, is er verder onderzoek nodig. Nystagmus met horizontale oogtrillingen komt bijvoorbeeld voor bij aandoeningen van de kleine hersenen. Ook bestaat er een nystagmus naar boven of naar beneden.
 
 
Ongepast gedrag Bij iemand met dementie kan het besef van fatsoen wegvallen. Dit wordt decorumverlies genoemd. Dan kan iemand sociale situaties niet goed meer inschatten. Het gevoel van schaamte valt weg. Hierdoor kunnen vervelende of pijnlijke situaties ontstaan.
Mensen met dementie verzorgen zichzelf slechter. Ze lopen bijvoorbeeld ongeschoren en in vieze kleren rond. Het komt voor dat iemand zich in gezelschap gaat uitkleden. Of gaat plassen in de plantenbak of wastafel. Vaak er is er naast decorumverlies ook ongeremd gedrag als het niet lukt om zichzelf bij te sturen. Iemand kan ongeremd gaan eten, vloeken of iemand uitschelden. Soms is er ook seksueel ontremd gedrag.
Soms is er sprake van een handelingsstoornis (apraxie). Door deze stoornis kan iemand bepaalde voorwerpen of handelingen niet meer herkennen. Dan eet iemand bijvoorbeeld soep met een kam, of trekt een onderbroek over de broek aan.
 
Open rug Aangeboren afwijking van de wervelkolom, waarbij een of meer wervelbogen niet zijn afgesloten. Bij een ernstiger vorm zijn niet alleen de wervels aan de achterzijde onvoldoende ontwikkeld, maar ook het ruggenmerg. De belangrijke zenuwen voor het been zijn dan onvoldoende aangelegd. De benen zijn gedeeltelijk verlamd en soms slecht ontwikkeld.
Het ruggenmerg is in het algemeen bij deze aandoening niet rond maar plat en stulpt buiten het gebied van het wervelkanaal uit. In plaats van door harde en stevige wervels te worden beschermd is het ruggenmerg nu slechts bedekt met de dunne ruggenmergvliezen.