Executief disfunctioneren / Executieve functiestoornissen

Onder executieve functies (EF) worden de hogere controlefuncties van de hersenen verstaan. Ze besturen het handelen en gedrag, helpen bij het stellen van doelen en het verwerkelijken daarvan en in balans houden van eisen, behoeften en plichten. Deze functies kunnen in een neuropsychologisch onderzoek (NPO) onderzocht worden.

 

Executieve functies opgesomd:

  • Het vermogen om emoties te reguleren, om doelen te realiseren, taken te voltooien of gedrag te controleren. (emotieregulatie)
  • Het vermogen om het eigen gedrag te overzien (wat is jouw aandeel in gebeurtenissen?) en het vermogen de situatie te overzien; zelfmonitoring en zelfevaluatie. (doelgericht gedrag)
  • Het vermogen om na te denken voor iets gedaan wordt. (responsinhibitie)
  • De vaardigheid om informatie in het geheugen te houden bij het uitvoeren van complexe taken en te sorteren wat relevant is en wat niet relevant is, om te onthouden. (werkgeheugen)
  • De vaardigheid om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden  plannen te herzien als zich belemmeringen of tegenslagen voordoen, zich nieuwe informatie aandient of er fouten worden gemaakt. (flexibiliteit)
  • De vaardigheid om aandacht te blijven schenken aan een situatie of taak, zelfs als er afleiding is, of vermoeidheid of verveling. (volgehouden aandacht)
  • Het vermogen om zonder uitstel aan een taak te beginnen, op een efficiënte manier en op tijd. (taakinitiatie)
  • De vaardigheid om een plan te maken of om een doel te bereiken of een taak te voltooien. Beslissen wat belangrijk is en wat niet. (planning , prioritisering)
  • Het vermogen om systemen te ontwikkelen en te onderhouden om op de hoogte te blijven van informatie of benodigde materialen. (organisatie
  • De vaardigheid om tijd in te schatten hoe lang iets duurt hoe je de tijd het beste kunt verdelen en hoe je op tijd kunt werken.(timemanagement)
  • Het vermogen om een doel te formuleren, dat te realiseren en daarbij niet afgeleid of afgeschrikt te worden door tegengestelde belangen. (doelgericht gedrag)

 

Executief disfunctioneren is als (enkele of meerdere van) bovengenoemde functies niet meer lukken door hersenletsel. Onthou dat élk letsel verschilt. De moeite kan liggen in:

  • plannen
  • organiseren 
  • timemanagement , tijd goed inschatten en daarin taken kunnen indelen
  • anticiperen
  • overstijgend denken
  • abstract en conceptueel denken
  • multitasking 
  • doelgericht gedrag
  • probleemoplossend vermogen
  • cognitieve flexibiliteit
  • emotieregulatie
  • sociaal invoelbaar reageren
  • zelfinzicht (wat is jouw aandeel in gebeurtenissen)
  • werkgeheugen (wat is relevant en wat niet om te onthouden, hoe zorg je dat je iets onthoudt , en zorgt ervoor dat je iets uit je lange termijn kan opdiepen)
  • aandacht richten en volhouden
  • inhibitie (vermogen om je gedrag af te remmen)

Dautzenberg et al., 2008; Smidts & Huizinga, 2009; de Sonneville, 2005

 

Inhibitie, is het kunnen onderdrukken of afremmen van een impuls en speelt een belangrijke rol bij het kunnen volhouden van gerichte aandacht. 

De Sonneville (2005)

 

De ontwikkeling van de executieve functies wordt tijdens de jeugd gekenmerkt door groeispurten die plaatsvinden tussen de geboorte tot aan ongeveer 23 jaar. Als een kind of jongere in deze periode hersenletsel oploopt, heeft dat direct gevolg op deze ontwikkeling en dus op gedrag. 

Smidts (2003) Slagers en Mund (2010)

 

Uit neurofysiologisch en neurocognitief onderzoek blijkt dat executieve functies vooral gerelateerd zijn aan de prefrontale hersenschors /cortex. Deze functies zijn controlerend voor je hele gedrag; doen en laten. Vooral in situaties die je niet vaak meemaakt vormen ze je gedrag.

  

Als iemand zijn gedrag niet meer kan reguleren door schade in de frontaalkwab wordt dat het ‘frontaalsyndroom’ genoemd. Het is een ‘net niet syndroom’. 

  • apathie en gebrek aan initiatief
  • terugtrekken uit sociale contacten
  • geen activiteiten meer kunnen organiseren
  • impulsief gedrag
  • niet meer flexibel kunnen omgaan met met veranderingen
  • obsessief gedrag (zoals steeds tellen, zingen, tikken of hetzelfde gedraag vertoont)
  • snel geïrriteerd zijn
  • agressie
  • (sociale) situaties niet goed meer kunnen beoordelen
  • zelfverwaarlozing
  • achteruitgang van de taal: de persoon komt minder goed op woorden en spreekt minder
  • ontbreken van inzicht in genoemde problemen
  • ontremd gedrag, zoals ongepast gedrag of ongepaste opmerkingen maken, zich niet matigen met eten, of met kopen of seksuele ontremming.

 

Omgaan met iemand met frontaalsyndroom:

Omdat iemand met het frontaalsyndroom niet goed de gevolgen kan inschatten van acties in het heden hebben ze meer grenzen, structuur en duidelijkheid nodig.

 

Leg plannen, taken en acties goed uit, stap voor stap maar weet dat het onthouden misschien niet zal lukken en blijf dus rustig de stappen herhalen.
Taken kunnen frustraties oproepen als het niet goed lukt. Besef dat angst voor falen of schaamte of angst voor boosheid van anderen ook mee kan spelen en geef steun.

 

Vermijd discussies en strijdpunten, blijf rustig. Probeer uit de eigen emotie te blijven en blijf uit een machtsconflict. Als het toch uit de hand loopt, neem even een time out, dan wijs je de persoon niet af maar je geeft jezelf en de persoon even rust en afleiding. Probeer daarna met vriendelijkheid terug te komen.

 

Geef rust in huis, ook qua geluiden en andere storende prikkels. Prikkelarm biedt meer rust.


ONZE EXCUSES, DEZE PAGINA is nog onder ONDERHOUD.

 

PDF
Executief functioneren ontwikkeling bij kinderen
PDF [184.3 KB]