Oriëntatieproblemen
Vormen van oriëntatieproblemen
Oriëntatieproblemen kunnen zich na hersenletsel op verschillende manieren uiten. Iemand kan bijvoorbeeld denken: Waar ben ik, waar is de deur Welke dag is het?
Wáár bevindt mijn arm of been zich?
Hij herkent zijn eigen arm niet meer Is dat mijn been?
Wat is dat voor voorwerp?
Hoelang duurt het nog tot...? Hoe lang duurt een kwartier?
Niet iedereen heeft dezelfde oriëntatieproblemen. De één verdwaalt, terwijl een ander moeite heeft met tijd, het herkennen van voorwerpen of de positie van het eigen lichaam.
Bij oriëntatie gebruiken de hersenen verschillende soorten informatie om te bepalen wie je bent, wanneer en waar je bent en wat zich om je heen bevindt. Na hersenletsel kan één vorm van oriëntatie verstoord zijn, maar ook meerdere tegelijk.
We leggen het hieronder uit:
Oriëntatie in tijd
Iemand kan niet goed weten welke dag, datum, maand of welk jaar het is. Ook het tijdstip kan moeilijk te plaatsen zijn. Problemen met het ervaren en inschatten van tijd worden uitgebreider besproken op onze pagina tijdsbesefstoornis.
Bij oriëntatie in tijd zijn meerdere hersengebieden en netwerken betrokken. Onder andere bij de slaap / zijkant van het hoofd, de hippocampus en de mediale temporaalkwab, bij het voorhoofd de prefrontale cortex en aan de boven-/zijkant van het hoofd pariëtale gebieden spelen een rol bij geheugen, aandacht en het ordenen van gebeurtenissen in de tijd.
Problemen kunnen bijvoorbeeld voorkomen na een beroert CVA, traumatisch hersenletsel of ander hersenletsel waarbij deze gebieden of hun verbindingen beschadigd zijn.
Wat kan helpen?
Een duidelijke klok en kalender, een vaste dagindeling en digitale herinneringen kunnen houvast geven. Bij een tijdsbesefstoornis kan het helpen dat iemand meehelpt de tijd te bewaken.
Oriëntatie in persoon
Iemand kan moeite hebben met informatie over zichzelf, zoals de eigen leeftijd of geboortedatum. Bij ernstigere problemen kan iemand niet goed weten wie hij of zij zelf is of wie anderen zijn.
Bij oriëntatie in persoon werken meerdere hersengebieden en netwerken samen. Onder andere bij de slaap / zijkant van het hoofd de hippocampus en temporaalkwab en bij het voorhoofd de prefrontale cortex zijn betrokken bij het geheugen voor persoonlijke informatie en het kunnen plaatsen van zichzelf en anderen.
Problemen met oriëntatie in persoon kunnen onder andere voorkomen na een beroerte, traumatisch hersenletsel, zuurstoftekort of bij hersenaandoeningen waarbij geheugen en andere cognitieve functies worden aangetast.
Plotselinge desoriëntatie in persoon, tijd of plaats kan bij een delier voorkomen. Dat is belangrijk omdat een delier acuut ontstaat en medische beoordeling vraagt.
Oriëntatie in ruimte
Iemand kan moeite hebben om te bepalen waar het eigen lichaam of lichaamsdelen zich bevinden en waar voorwerpen zich bevinden ten opzichte van zichzelf of van elkaar.
Bij ruimtelijke oriëntatie zijn meerdere hersengebieden en netwerken betrokken. Vooral aan de boven-/zijkant van het hoofd speelt de pariëtaalkwab een belangrijke rol. Ook de occipitaalkwab aan de achterkant van het hoofd en de verbindingen tussen deze gebieden zijn belangrijk.
Problemen kunnen onder andere voorkomen na een beroerte, traumatisch hersenletsel, hersentumor of ander letsel waarbij deze gebieden of hun verbindingen beschadigd zijn.
Sommige problemen met ruimtelijke oriëntatie, het lichaamsschema of het herkennen van wat iemand ziet of voelt, vallen onder agnosie.
Wat kan helpen?
Een overzichtelijke omgeving, vaste plaatsen voor belangrijke voorwerpen en duidelijke herkenningspunten kunnen helpen. Vermijd onnodige obstakels en geef iemand voldoende tijd om zich te oriënteren.
Oriëntatie tot objecten
Iemand kan een voorwerp zien, maar moeite hebben het te herkennen of te begrijpen wat het is of waarvoor het wordt gebruikt.
Bij het herkennen van voorwerpen werken meerdere hersengebieden samen. Vooral de occipitaalkwab (achterhoofd), de temporaalkwab (slaap / zijkant van het hoofd) en de pariëtaalkwab (boven-/zijkant van het hoofd) en hun onderlinge verbindingen kunnen hierbij betrokken zijn.
Problemen kunnen onder andere voorkomen na een beroerte, traumatisch hersenletsel, hersentumor of ander letsel waarbij deze gebieden of verbindingen beschadigd zijn.
Het niet kunnen herkennen van een voorwerp terwijl de zintuiglijke waarneming zelf voldoende intact is, kan een vorm van agnosie zijn.
Wat kan helpen?
Leg belangrijke voorwerpen op een vaste plaats. Verminder het aantal voorwerpen dat tegelijk zichtbaar is. Het kan helpen een voorwerp te benoemen of informatie via een ander zintuig te geven, bijvoorbeeld door iemand het voorwerp te laten voelen.
Korte url van navigatieproblemen = https://cutt.ly/POIp6eA
Navigatieproblemen
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer een derde van de mensen na een beroerte navigatieproblemen ontwikkelt. Iemand kan moeite hebben met het aanleren van nieuwe routes, maar ook verdwalen in een vertrouwde omgeving, bijvoorbeeld in de eigen buurt. Ook de weg vinden in een ziekenhuis of revalidatiecentrum kan moeilijk zijn.
Navigatieproblemen kunnen de zelfstandigheid en mobiliteit ernstig beperken. Sommige mensen durven hierdoor niet meer zelfstandig op pad of hebben deelname aan het verkeer moeten opgeven. In het verkeer moet vaak snel worden bepaald welke richting iemand uit moet, terwijl tegelijkertijd veel andere informatie verwerkt moet worden.
In de eigen, vertrouwde omgeving kan navigeren nog goed gaan, terwijl een onbekende of langere route problemen geeft. Zo'n reis vraagt meer voorbereiding en vaak ook meer tijd.
Ook onverwachte veranderingen kunnen problemen geven. Denk aan een opgebroken weg of een plotselinge omleiding.
Bij sommige mensen met hersenletsel nemen navigatieproblemen toe bij vermoeidheid, zintuiglijke overprikkeling of warmte. Iemand die normaal gesproken de weg kan vinden, kan daar onder zulke omstandigheden tijdelijk meer moeite mee hebben.
Verkeerde diagnose
Navigatieproblemen na hersenletsel worden niet altijd herkend en kunnen daardoor verkeerd worden geduid. Zo zijn er mensen bij wie 'een paniekstoornis' werd vastgesteld, terwijl de paniek ontstond doordat zij routes niet meer goed konden overzien en daardoor verdwaalden.
Ook kan het hersenletsel zelf eerder zijn gemist, bijvoorbeeld als het letsel niet zichtbaar was op een scan, als een TIA later toch een herseninfarct bleek, of als iemand na een val niet medisch werd onderzocht.
Testen
Met vragenlijsten en speciale navigatietests kan worden onderzocht of iemand navigatieproblemen heeft en om welk soort problemen het gaat.
Mensen kunnen bij het navigeren verschillende strategieën gebruiken:
- Egocentrische strategie: iemand oriënteert zich vanuit zichzelf en gebruikt herkenningspunten. Bijvoorbeeld: “Bij de bakker linksaf, bij het rode torentje rechtdoor.”
- Allocentrische strategie: iemand gebruikt als het ware een mentale plattegrond van de omgeving. Bijvoorbeeld: “Als ik hier linksaf ga, moet ik bij de rotonde uitkomen.”
Mensen kunnen beide strategieën gebruiken. Na hersenletsel kan één van deze manieren van navigeren verstoord zijn.
Welke navigatiestrategie gebruik jij?
Hieronder zie je de Virtueel Tübingen-test, waarmee navigatie wordt onderzocht. Het filmpje heeft geen gesproken tekst, alleen muziek. Je kunt het geluid uitzetten.
Bekijk eerst het filmpje. Daarna stellen we een paar vragen.
Na deze test worden vragen gesteld over de route. Bijvoorbeeld: Heb je een kerk of bakkerij gezien? Welke afslagen zijn genomen? Ook worden afbeeldingen uit de route in de juiste volgorde gelegd.
De antwoorden geven informatie over hoe iemand een route verwerkt en onthoudt en welke navigatiestrategie daarbij wordt gebruikt.
Ging je aan het einde van deze straat naar links of rechts of rechtdoor?
Compenseren
Bij navigatieproblemen kan worden gekeken welke vaardigheden en navigatiestrategieën nog relatief goed functioneren. Iemand kan leren deze bewuster te gebruiken om problemen met het vinden en onthouden van routes te compenseren.
Als bijvoorbeeld navigeren aan de hand van herkenningspunten nog goed gaat, kan iemand juist die strategie vaker gebruiken en oefenen. Hulpmiddelen en een goede voorbereiding van een route kunnen daarbij ondersteunen.
Hersenen
Ruimtelijke oriëntatie en navigatie zijn geen functies van één hersengebied. Hiervoor werken verschillende hersengebieden en hun onderlinge verbindingen samen in een netwerk.
Om de weg te kunnen vinden, moeten de hersenen onder andere visuele informatie verwerken, herkennen waar iemand zich bevindt, ruimtelijke informatie en routes onthouden en een route kunnen plannen. Schade aan één of meer onderdelen van dit netwerk kan daarom navigatieproblemen veroorzaken.
Belangrijke hersengebieden en verbindingen zijn onder andere:
- De pariëtaalkwab (wandbeenkwab) is belangrijk voor het verwerken van ruimtelijke informatie en voor de oriëntatie van het lichaam ten opzichte van de omgeving.
- De hippocampus speelt een belangrijke rol bij het vormen en ophalen van herinneringen en bij ruimtelijk geheugen en navigatie.
- De fornix is een belangrijke zenuwbaan die de hippocampus met andere hersengebieden verbindt en betrokken is bij geheugen en ruimtelijke informatieverwerking.
- De frontaalkwab, en met name de prefrontale cortex, is onder andere betrokken bij planning, het kiezen en aanpassen van gedrag en het werkgeheugen. Deze functies zijn belangrijk bij het plannen en volgen van een route.
- De occipitaalkwab (achterhoofdskwab) is belangrijk voor de verwerking van visuele informatie uit de omgeving.
Hulpmiddelen
Navigatiehulpmiddelen kunnen helpen om zelfstandiger op pad te gaan. Welk hulpmiddel geschikt is, hangt af van de problemen en van de manier waarop iemand reist.
Navigatie via smartphone
Apps zoals Google Maps, HERE WeGo en Magic Earth kunnen stap voor stap de route aangeven. Sommige apps kunnen ook kaarten vooraf opslaan, zodat navigeren zonder internetverbinding mogelijk is.
Voor iemand met navigatieproblemen kan het helpen om vóór vertrek de route te bekijken, vaste bestemmingen op te slaan en gesproken routeaanwijzingen te gebruiken.
Navigatie op de fiets
Een telefoon of fietscomputer met navigatie kan tijdens het fietsen aanwijzingen geven. Het kan prettig zijn om een route vooraf in te stellen, zodat onderweg minder keuzes gemaakt hoeven te worden.
GPS-tracker of personenalarm
Als iemand het risico loopt te verdwalen, kan een GPS-tracker of personenalarm extra veiligheid geven. Daarmee kan, afhankelijk van het apparaat en de instellingen, een naaste of hulpverlener zien waar iemand zich bevindt. Sommige apparaten hebben ook een SOS-knop of kunnen een melding geven wanneer iemand een bepaald gebied verlaat.
Het Kompas is ontwikkeld als eenvoudig navigatiehulpmiddel voor mensen met dementie. Een pijl wijst steeds de richting naar huis. Het hulpmiddel is ontwikkeld om zo eenvoudig mogelijk te gebruiken te zijn.
Bronnen
- Claessen, M.H.G. (2017). Lost after stroke: Theory, assessment, and rehabilitation of navigation impairment. Universiteit Utrecht.
- Claessen, M.H.G., Visser-Meily, J.M.A., de Rooij, N.K., Postma, A. & van der Ham, I.J.M. (2016). A direct comparison of real-world and virtual navigation performance in chronic stroke patients. Journal of the International Neuropsychological Society, 22(4), 467–477.
- Claessen, M.H.G., van der Ham, I.J.M., Jagersma, E. & Visser-Meily, J.M.A. (2016). Navigation strategy training using virtual reality in six chronic stroke patients: A novel and explorative approach to the rehabilitation of navigation impairment. Neuropsychological Rehabilitation, 26(5–6), 822–846.
- Ekstrom, A.D., Spiers, H.J., Bohbot, V.D. & Rosenbaum, R.S. (2018). Human Spatial Navigation. Princeton University Press.
- Epstein, R.A., Patai, E.Z., Julian, J.B. & Spiers, H.J. (2017). The cognitive map in humans: Spatial navigation and beyond. Nature Neuroscience, 20, 1504–1513.
- Hersenletsel-uitleg.nl
Verkorte url van deze pagina:
1) Waar ben ik, en wat is de oriëntatie van mijn lichaamsdelen?
2) Waar zijn belangrijke voorwerpen in de omgeving in relatie tot mijzelf?
3) Waar bevinden deze voorwerpen zich in relatie tot elkaar?
4) Wat moet ik met deze voorwerpen doen? 5) Hoe moet ik dit doen?