Home » Informatie » Terug op het werk

Terug naar het werk....

Bij de terugkeer naar werk spelen, spelen naast neuropsychologische en lichamelijke factoren, ook ander factoren een belangrijke rol, zoals leeftijd, premorbide sociaal functioneren (premorbide = voor dat diegene ziek werd), premorbide persoonlijkheidsaspecten, copingvaardigheden (de wijze waarop iemand met problemen omgaat), de draagkracht van patiënt en directe omgeving, en de compensatiemogelijkheden. Als iemand voor het letsel gewend was om altijd een tandje bij te zetten, zal dat gedrag tot roofbouw kunnen leiden na het letsel.

Met name spelen de onzichtbare gevolgen van hersenletsel een grote rol. De intense vermoeidheid (hersenmoeheid / organische moeheid / neurofatigue) die niet over gaat met nachtrust, kan een allesbepalende factor zijn of iemand terug kan keren naar het werk. Zo ook overprikkelingsproblematiek (verstoorde zintuiglijke prikkelverwerking) die het leven lam kan leggen. Hoezeer mensen ook prikkels proberen te vermijden en pauzestrategieën hanteren; het leven met alle (achtergrond)geluid en licht is onvoorspelbaar. Bij sommigen doven de klachten van geluidsintolerantie uit na verloop van tijd van 1 à 2 jaar , maar helaas bij de meerderheid niet.
Vertraagde informatieverwerking en trager zijn in het algemeen zijn tevens grote factoren.

Voor veel mensen die voor het letsel goed stressbestendig waren, is het schrikken, als na het letsel blijkt dat dat enorm veranderd kan zijn, en dat mensen geen overzicht meer hebben bij onverwachte stressoren. Mensen met hersenletsel kunnen minder flexibel zijn en minder goed schakelen van het ene onderwerp naar het andere. Dit komt al voor als iemand met hersenletsel een telefoontje moet beantwoorden, terwijl hij of zij aan een taak geconcentreerd probeerde te werken. De frustratie kan dan oplopen.

Onder (tijds-)druk presteren of omgaan met hoge werkdruk is bijna onmogelijk geworden voor veel mensen met hersenletsel. Het is nog niet bewezen dat wat iemand in de cognitieve revalidatieperiode leert, ook langdurig beklijft, en in een andere situatie toegepast kan worden, zoals de leefsituatie van de persoon. (generalisatieprobleem / niet kunnen generaliseren).

Deze onzichtbare gevolgen komen naar verloop van tijd aan het licht, omdat niemand een handleiding van de gevolgen meekrijgt bij het letsel. Mensen leren met vallen en opstaan waar ze tegen aan lopen in het dagelijks leven. Het is niet altijd een kwestie van onvoldoende ziekte-inzicht, maar vooral van nog niet geïnventariseerd hebben wat bij het letsel hoort. Mensen weten ook niet wat ze kunnen verwachten, of de vermoeidheid, duizeligheid, slaapstoornis en andere klachten nog wel zullen trekken. Mensen weten dus nog niet goed wat ze wel of niet kunnen.
De meeste mensen willen vaak 'te snel en te veel' en zijn te optimistisch.

De laatste jaren worden de cognitieve gevolgen van Niet aangeboren hersenletsel (NAH) beter onderkend. Deze gevolgen blijken een aanzienlijk deel van de mensen met hersenletsel te treffen.

Wat zeggen wetenschappers?
Bij mensen met traumatisch hersenletsel vond van der Naalt et al (1999) dat 84% één jaar na het ongeval nog klachten had; de meest frequente klachten waren vermoeidheid, vergeetachtigheid, verminderde concentratie, geluidintolerantie, verstoorde balans, prikkelbaarheid en hoofdpijn. De term prikkelbaarheid is onduidelijk in dit geheel. Wordt hiermee zintuiglijke overprikkeling bedoeld of prikkelbaarheid in de zin van geïrriteerd gedrag? Irritatie kan namelijk weer toenemen naarmate blijkt dat iets niet of minder goed lukt.
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1736194/pdf/v066p00207.pdf

Tatemichi et al (1994) vond bij 78% van 227 CVA patiënten cognitieve stoornissen; in studies van Hochstenbach (1999) en Rasquin (2005) bleek meer dan 70% mentaal trager te zijn geworden en had meer dan 40% van de onderzochte CVA-patiënten geheugenstoornissen.

Het valt allemaal onder ‘stoornissen en beperkingen’ naar ‘vaardigheden en maatschappelijke participatie’ uit de International Classification of Functioning, Disability, and Health (ICF) die de World Health Organization (WHO) in 2001 uitbracht.


Jobcoach en maatwerk
Het is daarom aan te raden om met een jobcoach te kijken, wat wel en niet mogelijk is, maar dan wel een jobcoach die de valkuilen van mensen met hersenletsel kent en die ook hardnekkige gedachten en vooroordelen weet te ontkrachten over bijvoorbeeld cognitieve- en overprikkelings-'trainbaarheid'. Omdat ieder mens met hersenletsel verschilt en er geen hersenletsel hetzelfde is, is maatwerk noodzakelijk.

Opbouwen

Iemand kan beter met minder taken en uren beginnen en dat langzaam opbouwen, dan meteen volop te gaan werken en ontmoedigd raken omdat het niet lukt. Ook is het belangrijk te evalueren en terug te luisteren of iemand het werk koste wat kost vol wil houden, ten koste van eigen gezondheid of ten koste van het leven thuis.


Het is belangrijk om iemand mee te nemen naar de gesprekken bij het UWV. De gesprekken zijn op zich al een bron van stress, maar daarnaast kan ook "de façade van er goed uitzien", de medewerker van het UWV op het verkeerde been zetten.
Wettelijk gezien mag je iemand met verstand van hersenletsel meenemen naar een gesprek met het UWV.

Interview met een revalidatiearts over terugkeren naar werk:

Website over werken met hersenletsel

www.werkenmethersenletsel.nl  De website is bedoeld als wegwijzer voor werknemers en werkzoekers met hersenletsel, voor werkgevers die te maken hebben met een (potentiële) werknemer met hersenletsel en voor professionals, zoals artsen, specialisten, bedrijfsartsen, jobcoaches en re-integratiecoaches.

De site geeft antwoord op heel veel vragen en verwijst via directe links door naar nog meer relevante informatie. 

 

Werknemers met hersenletsel worden bij hun terugkeer naar werk vaak verkeerd beoordeeld, bijvoorbeeld door de arts bij het UWV. Ze worden overschat omdat er aan de buitenkant niets te zien is, blijkt uit gegevens. Dit leidt tot onbegrip voor de situatie van de patiënt. Speciaal voor werknemers met hersenletsel, hun werkgevers en professionals zoals bedrijfsartsen is de website www.werkenmethersenletsel.nl ontwikkeld: een platform met informatie voor werknemers en werkgevers voor een optimale re-integratie.

 

Er zijn meerdere re-integratiebureau's voor mensen met hersenletsel, waaronder WijDoen.


Reintegratie Trajecten:

Mensen met een hersenaandoening worden vaak overschat door de onzichtbaarheid van veel gevolgen van een hersenaandoening.

 

Daartegenover staat ook weer dat de beeldvorming over mensen met een hersenaandoening zodanig is dat de mogelijkheden van mensen met een hersenaandoening ook onderschat worden.

 

Het is en blijft dus maatwerk, waarbij een gedegen kennis van de hersenaandoening een noodzaak is. De façade van normaliteit zet iedereen op een dwaalspoor,' Jenny Palm,1997.

 

Er zijn meerdere organisaties gespecialiseerd in re-integratie trajecten voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Ook houden enkele neuropsychologen vanuit hun eigen praktijk zich bezig met het begeleiden terug naar de werkvloer.

Wij noemen hier enkele. Mist u uw organisatie, meld het ons!

 

 

 

  • Brains4U Brains4U richt zich op het vergroten van kansen op werk voor  jongvolwassenen met Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH).

 

 

 


Terug óp het werk

Er zit ook een ander kant aan het verhaal.

"Mensen met NAH moeten een even eerlijke kans krijgen om te re-integreren op het werk als anderen die er lange tijd 'uit' zijn geweest". Dat is de boodschap van neuropsycholoog Katinka Franken, jurist Tina van der Linden en ervaringsdeskundige Ans. Het drietal schreef hierover het volgende artikel op de website van het tijdschrift AD Visie van de beroepsvereniging NVvA:

 

"Mensen met niet‐aangeboren hersenletsel (NAH) hebben vaak een gebrek aan zelfinzicht. Eenmaal terug in het arbeidsproces functioneren ze vaak niet meer op hun oude niveau. Het lastige is dat ze dat vaak zelf niet in (willen) zien. Dikwijls blijven ze zich verschuilen achter de omstandigheden: 'juist de gebieden die zorgen voor zelfinzicht, de gebieden voor logisch redeneren en rationeel inschatten, juist die zijn beschadigd", aldus een arbeidsdeskundige gespecialiseerd in cliënten met NAH, in een interview in 2011 in AD Visie, het tijdschrift van de beroepsvereniging NVvA. (Nederlandse Vereniging van Arbeidsdeskundigen)

 

Self-fulfilling prophecies 

Algemene uitspraken over kenmerken die vaak bij een bepaalde groep voorkomen, hebben de neiging om vooroordelen te worden, die zichzelf vervolgens als 'self-fulfilling prophecies' bevestigen. Binnen de psychologie is representativiteit een bekende heuristiek die bijdraagt aan een vertekend beeld (de Bruijn, 2003).

Een voorbeeld: jongeren uit een bepaalde bevolkingsgroep waren regelmatig crimineel, dus de politie hield ze extra in de gaten. Er werd daardoor vaker criminaliteit onder deze groep gevonden. Doordat deze jongere als potentiële crimineel behandeld wordt zal hij zich er eerder naar gedragen. Als men zich, in de benadering van een persoon, laat leiden door gegeneraliseerde vooronderstellingen (leden van groep X hebben vaak kenmerk Y, jij hoort bij groep X dus ik ga ervan uit dat jij ook kenmerk Y hebt), dan wordt daarmee die vooronderstelling opnieuw versterkt: verwachtingen bepalen mede de waarneming, waardoor de verwachtingen bevestigd worden – 'zie je wel'. Dit is een heel menselijk en herkenbaar mechanisme.

 
Vooroordeel?

Zo is het niet ondenkbeeldig dat een medewerker, die na een ongeluk waar hij of zij hersenletsel aan heeft overgehouden, met dit vooroordeel in het achterhoofd terug verwelkomd wordt op de werkvloer. 'Fijn dat je er weer bent, maar je kunt vast niet meer op hetzelfde niveau functioneren als vroeger, en dat wil en/of kun je vast zelf niet inzien.'

Deze medewerker moet zich enorm bewijzen om dat vooroordeel te ontkrachten. Dat legt een niet te onderschatten extra druk op zo'n medewerker, die er een tijd 'uit' is geweest. Ondertussen kunnen er op het werk allerlei dingen veranderd zijn: reorganisatie, nieuwe methoden, andere werkprocessen. Ook voor mensen die om een andere reden er een tijdlang 'uit' zijn geweest kan het lastig zijn om in een inmiddels veranderde werkomgeving de draad weer op te pakken.

 

Als iemand met NAH zich ter verdediging tegen aantijgingen van vermeend ondermaats presteren op die veranderde omstandigheden beroept, dan kan dat gemakkelijk worden afgedaan met een gebrek aan zelfinzicht.

De re-integrerende persoon met NAH komt zo in een 'catch‐22 situatie', want hoe kun je het label 'gebrek aan zelfinzicht' ontkrachten in een omgeving waar het oordeel al is geveld? Dat kan niet. (En wie garandeert overigens dat degene die oordeelt over de persoon met NAH zelf wel zelfinzicht heeft?)

 

Ja, het is waar: mensen met NAH hebben vaak te kampen met problemen in het executief functioneren (werkgeheugen, plannen, organiseren, remmen van gedrag), wat tot aanpassingsproblemen kan leiden bij nieuwe en complexe omgevingseisen. En ja, vaak gaat dit samen met een gebrek aan zelfinzicht. Er wordt vaak gesproken van een 'frontaal syndroom', waarmee wordt gesuggereerd dat het zou gaan over een homogene groep, terwijl de NAH groep zich kenmerkt door een grote verscheidenheid aan symptomen.

 
Diversiteit aan problemen

Daarbij is er een grote diversiteit aan mogelijke betrokken locaties van laesies in het brein, die staan voor verschillende cognitieve en gedragsmatige problemen. Tot slot kunnen de symptomen variëren in ernst, afhankelijk van de grootte en locaties van de hersenbeschadigingen, maar ook afhankelijk van pre morbide (dat wil zeggen: aan het letsel voorafgaande) persoonskenmerken zoals intelligentie en persoonlijkheid. Hierbij speelt de leeftijd van de betrokkene een rol voor de gevolgen van het letsel, zowel wat betreft kansen op herstel van functies als wat betreft kansen op mogelijke ontwikkeling stagnaties.

 

Voordat uitspraken worden gedaan over een individuele persoon met NAH dient zorgvuldig onderzoek plaats te vinden. Het huidig functioneren wordt bepaald door een interactie tussen

 

1. de omvang van de neurologische schade,

 

2. de pre morbide persoonlijkheid (niet altijd bekend bij een hulpverlener die een persoon met NAH bijstaat).

 

Het re-­‐integreren in de werksituatie is geen eenvoudige zaak voor iemand die door een ongeluk hersenletsel heeft opgelopen. Een basisvoorwaarde van een goede re-integratie is een goed inzicht in de eigen beperkingen en mogelijkheden. Begeleiding van de herintredende arbeidskracht is daarbij hard nodig.

 

Het wordt aanbevolen om de directe omgeving (partner, collegae) bij het proces van re-integratie te betrekken. Niet alleen wanneer de problematiek ernstig is en het zelfinzicht (deels) ontbreekt, maar juist wanneer er wel degelijk sprake is van (een herstel van) zelfinzicht. Dit om frustratie bij de betrokkene te voorkomen en hem of haar een eerlijke kans te geven bij de re-integratie.

Door een open en stimulerende benadering kan aldus de derde factor die het huidig functioneren bepaalt, positief beïnvloed worden. En omgekeerd: door iemand negatief te benaderen, hem of haar hard te wijzen op wat er mis gaat en aldus geen eerlijke kans te geven, wordt de derde factor negatief beïnvloedt en voilà: 'zie je wel', iemand functioneert dan ook daadwerkelijk op een lager niveau.

 
Conclusie

Conclusie: mensen met NAH moeten re-integreren met drie soorten onzichtbare beperkingen: het letsel zelf, de prestatiedruk als gevolg van het vooroordeel daarover, en het zelfstandig onmogelijk te ontkrachten label van gebrek aan zelfinzicht. Ook zonder NAH een 'mission impossible'.

 

Een van de fundamentele uitgangspunten van onze rechtsstaat is de: 'presumptio innocentiae': een verdachte wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld wettig en overtuigend bewezen is (art. 6 EVRM). Op dezelfde manier moet tijdens de re-integratie van iemand met NAH het uitgangspunt zijn dat hij of zij uiteindelijk op niveau kan functioneren totdat het tegendeel bewezen is.

Met dit stuk willen we benadrukken dat het belangrijk is om 'oordelen' te ondersteunen met zorgvuldige procesdiagnostiek en een beschermend, steunend en stimulerend begeleidingstraject. Een ieder heeft immers het recht om op zijn of haar eigen merites beoordeeld te worden.

 

Hulpverleners en werkgevers moeten een open mind houden en niet te snel oordelen. Net zo min als alle Noord-Afrikaanse jongeren crimineel zijn, hebben niet alle mensen met NAH een gebrek aan zelfinzicht. Zij behoren een eerlijke kans op re-integratie te krijgen: ze moeten behandeld worden als ieder ander die een tijd uit de roulatie is geweest.



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

Herstelproces

Mensen met NAH moeten accepteren dat het herstelproces een lange weg is en velen zullen een stapje terug moeten doen. Herstel na hersenletsel kan lang doorgaan, en wellicht komt er een moment dat iemand weer op het oude niveau kan functioneren. Geef hen de kans door goede diagnostiek te bieden, door eerlijke feedback (psycho‐educatie) te geven, door steun te bieden in de begeleiding en oog te hebben voor de strijd die zij moeten leveren, tegen het letsel zelf, tegen het label en tegen de vooroordelen.

Katinka Franken (neuropsycholoog), Tina van der Linden (jurist), Ans Post (ervaringsdeskundige)

bronnen:

Chaudhuri A, Behan PO. Fatigue and basal ganglia. J Neurol Sci. 2000 Oct 1;179(S 1-2):34-42.

Chaudhuri A, Behan PO. Fatigue in neurological disorders. Lancet. 2004 Mar 20;363(9413):978-88.

DeLuca J. Fatigue, cognition, and mental effort. In: DeLuca J, editor. Fatigue as a window to the brain. Cambridge, Massachusetts: MIT Presse; 2005

King RB. Quality of life after stroke. Stroke. 1996 Sep;27(9):1467-72.

van der Naalt A H van Zomeren, W J Sluiter, J M Minderhoud One year outcome in mild to moderate head injury:the predictive value of acute injury characteristics related to complaints and return to work. 1999 https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1736194/pdf/v066p00207.pdf


Rasquin SMC, Lodder J, Ponds RW, Winkens I, Jolles J, Verhey FRJ. Cognitive functioning after stroke: a one-year follow-up study. Dement Geriatr Cogn Disord. 2004;18:138-44. 9. Hochstenbach J. The cognitive, emotional and behavioural consequences of stroke.; 1999. 

Spikman JM, Zomeren AH, Deelman B. Deficits of attention after closed-head injury: slowness only? J Clin Exp Neuropsychol. 1996;18(5):755-67.


Spikman JM. Attention, mental speed and executive control after closed head injury; deficits, recovery and outcome. Groningen; 2001

Tatemichi TK, Desmond DW, Stern Y, Paik M, Sano M, Bagiella E. Cognitive impairment after stroke: frequency, patterns, and relationship to functional abilities. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 1994;57

Wilkinson PR, Wolfe CD, Warburton FG, Rudd AG, Howard RS, Ross-Russell RW, et al. A long-term follow-up of stroke patients. Stroke. 1997 Mar;28(3):507-12. 24.