Home » Informatie » Neurologisch onderzoek

Neurologisch onderzoek


Inleiding

De meeste mensen met hersenletsel zijn door een neuroloog beoordeeld. De meesten herinneren zich de kleine testjes nog van de tong uitsteken en de vinger naar de neus brengen of proberen in een rechte lijn te lopen.

 

Wat de meeste mensen niet weten is dat bij een basis neurologisch onderzoek systematisch hersengebieden en de verschillende zenuwbanen, spieren en reflexen en coördinatie gecheckt worden door middel van dit soort vragen en testjes. Zo kan de arts redelijk snel beoordelen waar letsel zich bevindt.

En nog specifieker letsel in:

 

De arts beoordeelt voorts de spierreflexen, spierkracht, spiertonus (rustspanning voor de spieren), zintuigen, de manier van lopen (motoriek), coördinatie, gevoelsstoornissen, evenwicht en checkt elke hersenzenuw.

De arts stelt ook vragen om het denken en geheugen te beoordelen en checkt daarmee de hogere cerebrale functies (stemming, spraak en taal, oriëntatie).

 

Algemeen neurologisch onderzoek:

1 Hogere corticale functies

(cortex =hersenschors, corticaal is betreffende de hersenschors)

  • Is de persoon alert en helder bij bewustzijn, hoe is het geheugen en zijn er geen spraak- of taalstoornissen?
  • Weet iemand zich te oriënteren in plaats, persoon en ruimte?
    Wat wordt er in het gesprek verteld aan aanknopingspunten om cognitieve problemen te herkennen? Kan iemand een samenhangend verhaal vertellen wat er gebeurd is? Kan iemand een cijferreeks voor korte duur onthouden en bijvoorbeeld terugtellen van 100?
  •  Bij bewustzijnsdaling is de hersenstam altijd betrokken. Verder worden altijd deze drie hersenstamfuncties onderzocht:
  • Pupil reflex: Met een lampje om de beurt in de ogen schijnen. Wanneer er een afwijking aan één oogzenuw is zal er aan geen van beide kanten een pupilreflex optreden, als de arts in het aangedane oog schijnt. Omgekeerd als de arts in het goede oog schijnt zal er in beide ogen een pupilreflex optreden. Bij verschil in reactie tussen beide pupillen of géén pupilreactie is er een probleem in de hersenen. Een verstoorde pupilreflex kan iets zeggen over mogelijke schade aan de hersenstam.
  • Hoornvlies (cornea)-reflex: Onwillekeurig zullen de ogen gesloten worden als de arts het hoornvlies aanraakt. De afwezigheid van de corneareflex is een van de tests die vereist is om hersendood te kunnen vaststellen.
  • Compensatoire bewegingen: De ogen blijven je aankijken bij het bewegen van het hoofd.
  • Is er spontane spraak, begrip voor taal? Kan iemand een zin nazeggen, schrijven en lezen?
  • Is het denktempo traag?
  • Is er een depressie, angst of zijn er gedragsprobleem?


2 Hals- en nekstreek

Er wordt gelet op de stand van het hoofd. Als iemand prikkeling heeft in de hersenvliezen houdt diegene het hoofd in overmatige strekking (hyperextensie).
Is er nektrauma of arthrose? Kan indien er geen trauma is de kin op de borst gebracht worden?

  • Teken van Brudzinski: Het hoofd van patiënt wordt vrij bruusk gebogen (in flexie gebracht). Bij hersenvlies (meningeale) prikkeling kan er een spontane buiging van beide knieën optreden.
     
  • Teken van Kernig: De heup wordt in 90° buigstand gebracht en vervolgens strekt men de knie. Als er een toename van pijn in de nek is als de knie gestrekt is is er wel degelijk iets aan de hand. Het andere been wordt ook getest. Het vermoeden van hersenvlies (meningeale) prikkeling wordt zo bevestigd.

 


3 Hersenzenuwen:

Eerst wordt er goed gekeken. Is er sprake van een overhangend ooglid (ptose)?

Hoe is de pupilreactie, Zijn er afwijkingen in de oogstand? Oogbolmotoriek: gladde oogvolgbewegingen als het hoofd stil staat?

Geen dubbelzien (diplopie), geen wiebelende ogen (nystagmus), gevoelszin (sensibiliteit) van het gezicht intact, geen uitval in het gezicht? Is er geen afhangende mondhoek of een asymmetrisch gelaat? Is er een hese stem een nasale stem of spreekt de persoon niet vloeiend, dysartrie?

 

Bij acuut letsel kunnen de hersenzenuwen veel aanwijzingen geven:

  • Papiloedeem in de ogen en zwakte bij hersenzenuw IV worden in verband gebracht met met een verhoogde hersendruk (ICP).
  • Betrokkenheid van hersenzenuw III, V en  VI wijst op een caverneuze sinus trombose.
  • Betrokkenheid van hersenzenuw IX, X, XI en XII  is een aanwijzing voor het Vernet syndroom wanneer de halsader door een stolsel (trombose) is getroffen maar het kan ook duiden op een tumor, trauma of infectie.


Systematisch worden de 12 hersenzenuwen gecontroleerd.

  • Hersenzenuw I, Nervus Olfactorius, de neusfunctie (reuk) wordt getest met geurstoffen.

 

  • Hersenzenuw II, Nervus Opticus, de oogzenuw of gezichtszenuw. Elk oog wordt apart getest.
    • Gezichtsscherpte op zes meter afstand letters lezen van verschillende grootte
    • Gezichtsvelden, is er sprake dat iemand de helft of een kwart niet meer ziet?
    • Pupilreflex - of die is al gedaan bij 1.
    • Accomodatiereflex- blik fixeren op de wijsvinger van de arts die deze
      op ongeveer een meter afstand houdt, midden voor het gezicht. De vinger wordt langzaam naar de top van de neus van de patiënt. Men let daarbij op de reactie van de pupillen (vernauwing = miose).
  • Hersenzenuw III, Nervus Oculomotorius regelt alle oogbewegingen behalve naar buiten kijken (abductie) en naar binnen beneden kijken (dat doet de nervus trochlearis hersenzenuw IV). Het regelt ook het optrekken van het bovenste ooglid.

 

  • Hersenzenuw IV, Nervus Trochlearis regelt het naar binnen beneden kijken en daarom wordt deze oogzenuw snel meegenomen met de check van hersenzenuwen I, II en III.

 

  • Hersenzenuw V, Nervus Abducens regelt het naar buiten kijken en daarom wordt deze oogzenuw snel meegenomen met de check van hersenzenuwen I, II en III.

 

  • Hersenzenuw VI, Nervus Trigeminus is de aangezichtszenuw. Het regelt de gevoelszin van het gezicht gelaat en de beweging van de kauwspieren.
    • De gevoelszin wordt met een wattenstokje getest of met een gebroken wattenstokje.
    • De kauwspieren worden bevoeld.

 

  • Hersenzenuw VII, Nervus Facialis is de motorische zenuw van de aangezichts- spieren. Er wordt gekeken naar symmetrie in het gezicht.
    • wenkbrauwen optrekken
    • voorhoofd fronsen
    • ogen krachtig sluiten
    • wangen opblazen
    • tanden laten zien
    • lippen tuiten 
    • vraag over speeksel en traanaanmaak
    • vraag over het gevoel aan een kant van de tong en vraag naar smaak

Bij een halfzijdige verlamming door een beroerte CVA zullen hier snel afwijkingen zichtbaar zijn.

 

  • Hersenzenuw VIII, Nervus Vestibulocochlearis regelt het gehoor (en speelt een rol in het evenwicht). De arts kan een fluistertest doen.
    • Proef van Rinne: de trillende stemvork wordt tegen het puntig uitsteeksel van het slaapbeen (mastoïd) gehouden. De patiënt moet aangeven wanneer hij of zij geen trilling meer hoort. Daarna de nog steeds trillende stemvork voor het oor houden met de vraag of er nog iets gehoord wordt. Zo kan ook een middenoorontsteking opgespoord worden.
    • Proef van Weber: de trillende stemvorm wordt midden op de kruin van de patiënt gezet. Hoort de patiënt de stemvork in het midden of meer in het linker- of rechteroor?
    • Proef van Swabach: de trillende stemvork proef wordt vergeleken met het gehoor van de arts zelf.

 

  • Hersenzenuw IX, Nervus Glossopharyngeus wordt tegelijkertijd onderzocht met de 10e hersenzenuw nervus vagus.

 

  • Hersenzenuw X, Nervus Vagus wordt tegelijkertijd onderzocht met de 9e hersenzenuw nervus glossopharyngeus. De 10e hersenzenuw regelt veel zaken als hartslag, bloeddruk, flauwvallen (vagale reactie) en spijsverteringsstelsel en de spieren in hals en borst. Beide zenuwen (9 en 10) regelen het verhemelte, het slokdarmhoofd (farynx) en strottenhoofd (larynx) samen regelen zij het slikken, klanken kunnen maken en articuleren.
    • Met een spatel wordt de tong wat ingedrukt en wordt het verhemelte bekeken en moet de patiënt AAA of EEE zeggen. Als het gehemelte niet symmetrisch optrekt is dat een aanwijzing voor een schade aan motorische vezels aan de andere kant.
    • Als iets niet duidelijk is of het goed functioneert wordt de spatel of wattenstaafje kort tegen het zachte verhemelte aangehouden. Als er nu weer een niet-symmetrisch beeld ontstaat of als er geen reactie komt, wordt gevraagd of de patiënt iets voelt. Het kan duiden op schade aan de gevoelsvezels van de 9e hersenzenuw.

 

  • Hersenzenuw XI, Nervus Accessorius regelt een tweekoppige spier in het halsgebied (musculus sternocleidomastoideus) en het bovenste deel van de monnikskapspier (musculus trapezius).
    • De arts vraagt om het hoofd te bewegen van links naar rechts terwijl hij /zij tegendruk geeft op de onderkaak. Ondertussen voelt de arts aan de andere zijde de halsspier.
    • De arts vraagt om de schouders op te halen. De arts kan stevige tegendruk geven op de monnikkapspier om de kracht in te schatten van deze spieren.

 

  • Hersenzenuw XII, Nervus Hypoglossus is de ondertongzenuw.
    • Mond goed opendoen. De arts bekijkt de stand en vorm van de tong. De arts bekijkt of er afwijkingen zijn of spierkrampjes (fasciculaties).
    • De tong moet nu recht naar voren uitgestoken worden. Als de tong naar links of naar rechts afwijkt is er rede voor nader onderzoek of er een halfzijdige verlamming is.
    • De tong moet tegen de wang gedrukt worden en de arts voelt dan de kracht door met de vingers tegen de wang te voelen.

4 Motoriek:

Allereerst kijkt de arts en observeert. Hij of zij controleert op spierkrampjes (fasciculaties) die bij een voorhoornaantasting kunnen horen. De arts kijkt of er afname van spierweefsel (atrofie) is en vergelijkt daarbij links met rechts en onwillekeurige bewegingen, (tremoren, choreo-athetose) en aanhoudende samentrekkingen van spieren (dystonie). Soms worden testen van de coördinatie gelijk al hier gedaan.


De arts checkt de buigspier van de arm (biceps), strekspier van de arm (triceps), pols, spreidspieren, vingers, heup /lendespier (iliopsoas), dijspier (quadriceps), hamstrings, voetheffers.

Verder wordt gecheckt:

  • Verlammingen (eenzijdig - hemiplegie of beiderzijds), hangende mondhoek of oogleden, klapvoet.
  • Spierschokjes (myoklonieen), spiersamentrekkingen, trillingen (tremoren).
  • Verminderde of snelle bewegingen (chorea).
  • Spierafname (atrofie).
  • Pijnlijke spieren.
  • Spiertonus (de weerstand die wordt opgewekt door het passief bewegen van de ledematen).Bij letsel binnen de piramide (gebieden die van de hersenschors en het verlengde merg tot in het ruggenmerg lopen) is de spiertonus (weerstand van de spier) sterk verhoogd. Na een herseninfarct bijvoorbeeld speelt dit ook. Bij Parkinson is er ook een verhoogde spiertonus en daarnaast het tandradfenomeen. Als de arm passief bewogen wordt worden zogenaamde tandrad schokjes gevoeld bij Parkinson.
  • Spierkracht
    • Nekstijfheid controle (o.a. om hersenvliesprikkeling te ontdekken) Mensen houden hun nek in hyperextensie bij ernstige hersenvliesprikkeling.
    • Eén heup en de knie buigen (ook om hersenvliesprikkeling te ontdekken)
    • Proef van Barré: 30 seconden armen met gesloten ogen voor zich uit houden en met gestrekte vingers, aangedane zijde zakt.
    • Proef van Mingazzini: 30 seconden benen in de lucht, ogen moeten dicht blijven om visuele sturing te voorkomen). Onderzoekt de motoriek van de onderste ledematen - wegzakken van een been of niet stil kunnen houden van de benen.
    • Combinatieproef Barré-Mingazzini: in liggende houding de benen hoog houden met knieën in 90°, eventueel op de buik liggend.
    • Proef van Gordon-Holmes: Liggend de armen naar voren strekken met gesloten ogen en de handpalmen naar boven) Hierbij kunnen bij drie verschillende ziektes, drie verschillende uitslagen komen al naar gelang de arm zakt of de hand naar binnen draait of de arm niet meer terug in positie komt.
    • Knie-hielproef. De voet op de knie leggen van het andere been. Onderzoekt de coördinatie van de onderste ledematen. Zie ook bij 7. Coördinatie. Bij letsel in de kleine hersenen worden de bewegingen schokkend uitgevoerd /ataxie. Ook Multiple Sclerose kan men hiermee testen).
    • Lopen op de tenen. Zie bij 8. Gang, stand en evenwicht.
    • Lopen op de hakken. Zie bij 8. Gang, stand en evenwicht.
    • Proef van Trendelenburg (op één been gaan staan) Het is afwijkend als het bekken (zelfs soms het bovenlijf) scheef wegzakt naar de kant van het been waar men op staat (aangedane zijde). Is ook te observeren als de patiënt loopt. Het toont al dan niet een spierzwakte van de spieren die het been naar buiten kunnen bewegen in de heup (heupabductoren). Zie dit filmpje.
    • Knijpkracht (knijp in de vingers van de arts).

5 Sensibiliteit:

Gevoelszin (sensibiliteit) van de bovenste en onderste ledematen wordt gecheckt of er uitval is of dat het intact is. De arts checkt symmetrische zones links en rechts handen voeten gezicht en waar klachten vermeld worden. Zo kan een polyneuropathie of enkelvoudige zenuwuitval ontdekt worden of letsel dat vanuit de hersenen komt.
De patiënt  moet met gesloten ogen de testjes ondergaan.

 

  • Pijnzin: Wordt er pijn gevoeld als je met een voorwerp iets aanraakt. De vraag is of het bot of scherp voelt en hetzelfde voelt links of rechts.

 

  • Sensibiliteitzin: Wordt er iets waargenomen als er met een watje over ledematen gestreeld wordt. Is dat hetzelfde links als ook rechts?

 

  • Vibratiezin: Wordt er iets waargenomen als een trillende stemvork tegen de ledematen gehouden wordt.Bij mensen die ouder zijn dan 60 jaar is de vibratiezin vaak verminderd zonder ziektebeeld.

 

  • Proef van Romberg: Wankelt of valt de persoon als de voeten naast elkaar staan en de armen vooruit gestrekt worden als de ogen gesloten zijn? Of blijft de persoon stil staan?

 

  • Temperatuurzin: Wordt een koud of warm voorwerp gevoeld?

 

  • Positiezin: Voelt de patiënt het als een van de kleinere tenen bewogen wordt? En weet de patiënt ook aan te geven welke teen er bewogen / vastgepakt is?

 

  • Stereognosie: herkent de patiënt een willekeurig bekend voorwerp zoals een pen een sleutel als dit in de hand gedrukt wordt zonder dat de patiënt kan kijken wat het is?

De arts kent de anatomie en zal het doorhebben als iemand iets probeert aan te dikken omdat dat meestal niet binnen de anatomische grenzen past.


6 Reflexen:

Er zijn basisregels bij het testen van reflexen omdat de patiënt ontspannen moet zijn, arm of been moet in de juiste hoek gehouden worden en het reflexhamertje moet door de arts met voldoende soepelheid en kracht in een slingerbeweging  gehanteerd kunnen worden. Systematisch worden letsels in het ruggenmerg bekeken. Bij kinderen zijn de reflexen anders dan bij volwassenen.

 

Biceps-pees-reflex: Test voor de halswervels C5 en C6 door de bovenarmspier aan de voorzijde arm te testen op reflexen. Patiënt ligt terwijl de bovenarm op de onderzoekstafel rust en de onderarm ontspannen op de buik rust. De arts plaatst de eigen vinger of duim op de biceps en beklopt de bovenarmspier (biceps) dan met de reflexhamer. Er wordt een samentrekking gevoeld van de bicepsspier.

 

Triceps-pees-reflex: Test voor de halswervels C3,C4,C5 door de de bovenarmspier aan de achterzijde van de arm te testen. Patiënt ligt terwijl de elleboog in een hoek van 90° getrokken wordt. Deze tricepsspier wordt beklopt met de reflexhamer en de onderarm zal zich strekken.

 

Knie-pees-reflex: Test voor de lumbaalwervels L2, L3,L4. De test kan zowel liggend al zittend gedaan worden. Zittend met afhangende benen. De quadricepsspier wordt beklopt onder de knieschijf. Ook MS kan met zo onder andere op het spoor komen.

 

Achilles-pees-reflex: Test voor de sacraalwervels S1 en S2. De voet van de patiënt wordt in 90° ten opzichte van het onderbeen gebracht terwijl de arts de voet ondersteunt. De achillespees wordt beklopt. Onder de voet zal een buiging optreden (plantaire flexie).

 

Buikhuidreflex: Test voor de borstwervels T8, T9,T10 als er boven de navel getest wordt. en onder de navel voor de borstwervels T10, T11,T12.

De buik moet ontspannen liggen en er wordt met een wattenstokje of reflexhamer vanaf de zijkant buikzijde (lateraal) naar het midden van de buik (mediaal) gestreken. Normaal gesproken trekt de navel richting de uitvoering van deze test. Als er een asymmetrie is is dat afwijkend.

 

Voetzool-reflex: de voet mag niet weggetrokken worden. Er wordt met de achtereinde van de reflexhamer over de voetzool gestreken vanaf de hiel. Normale reflex is dat de grote teen buigt. Bij strekking van de grote teen (teken van Babinski) is afwijkend en dan is er letsel in de pyramidebaan.

 

Proprioceptieve reflexen: spiertrekkingsreflex/peesreflex


7 Coördinatie:

Top-neus-proef, top-top-proef, diadochokinese, knie-hakproef, soms komt de koorddansersgang hier al anders bij 8.

Armen:

  • Diadochokinese: Met beide vingers omhoog een draaiende alternerende wisselende bewegingen maken; afwijkend bij letsel aan kleine hersenen of afwisselend met handpalmen en handrug op de dijen laten slaan. Het onvermogen om aan elkaar tegengestelde bewegingen te maken (disdiachokinesis of adiadochokinesis) komt bij letsel aan de kleine hersenen voor en bij letsel in de hogere motorische neuronen en bij extrapiramidale aandoeningen. 'Extrapiramidaal' betreft alle hersendelen buiten de piramidebaan; vanuit de motorische hersenschors worden opdrachten gegeven om spieren te activeren, waarmee een geplande beweging wordt uitgevoerd.

 

  • Top-neus proef / vinger neus proef: Vinger in grote boog naar neus. Afwisselend linker en rechtervinger terwijl de ogen gesloten zijn.
    Dit onderscheidt diepe gevoelsstoornis van kleine hersenen /cerebellaire problemen/ ataxie. Het onderzoekt de coördinatie van de bovenste ledematen en of de beweging haar doel voorbij schiet. Bij MS is deze proef vaak afwijkend.

 

  • Top-top proef : Vinger naar vingertop van de onderzoeker.

Benen:

  • Knie-hak proef /knie hiel proef: De hak op de knie laten zetten en dan de knie via het scheenbeen naar beneden laten glijden, met gesloten ogen en met open ogen) Dit vereist spierkracht. Bij letsel in de kleine hersenen worden de bewegingen schokkend uitgevoerd /ataxie. Ook Multiple Sclerose kan men hiermee testen). Zie ook 4. Motoriek.

 


8 Gang, stand en evenwicht:

Ook bij deze proeven wordt op coördinatie getest en de koorddansergang wordt door sommige artsen als bij 7 behandeld.

  • Gangspoor: Patiënt moet een fiks aantal stappen zetten. Is er een breed gangspoor? Dat zou kunnen wijzen op coördinatie moeite vanuit de kleine hersenen. Hoe is de paslengte? Beweegt de patiënt de armen mee?

 

  • Hakken- en tenenloop: Bij problemen om op de hielen te lopen zou een klacht uit lumbale wervelkolom kunnen komen van de vijfde wervel (L5).
    Bij problemen om op de tenen te lopen zou een een klacht uit sacrale wervelkolom kunnen komen van de eerste wervel (S1). Spierkrachtverlies blijkt pas na een aantal meters.

 

  • Koorddansergang: Dit is de proef waarbij de patiënt voetje voor voetje op één lijn moet lopen. Daarbij wordt de hiel tegen de teen geplaatst.
    • Eerst mag de patiënt nog naar zijn voeten kijken tijdens deze proef.
    • Daarna moet er recht vooruit gekeken worden tijdens deze proef.
    • Daarna moeten de ogen gesloten worden tijdens deze proef.

 

Stand en evenwicht worden bekeken door middel van:

  • Rechtkomen uit hurkzit: De patiënt probeert omhoog te komen uit hurkzit terwijl de arts de handen van de patiënt vasthoudt. Hiermee wordt spierzwakte bekeken in de dichterbij de romp gelegen spieren. (proximaal)

 

  • Unipodaalstand: Dit is de proef waarbij de patiënt op één been moet staan waarbij de knie van het andere been omhoog geheven wordt. Vervolgens het andere been.

 

  • Proef van Romberg: Hierbij moet de patiënt de voeten volledig moet laten aansluiten aan elkaar en de armen horizontaal optillen naar voren. De arts staat klaar om de patiënt op te vangen als die zou vallen. Eerst wordt het evenwicht beoordeeld met de ogen open en daarna met de gesloten ogen. Er kan een stoornis in de proprioceptie zijn als de patiënt duidelijk uit evenwicht raakt als de ogen dicht zijn.

 


Ezelsbruggetjes 

De arts focust zich op de hoofdklacht van het consult en wil snel dingen uitsluiten. Er zijn meerdere gebruikte ezelsbruggetjes.

ABC:
A
irway, Breathing and Circulation Zijn de luchtwegen vrij, is er ademhaling en bloedcirculatie, werkt het hart?

 

De 4 A's

Vertoont de patiënt tekenen van corticaal (hersenschors) letsel?


Afasie: beoordeelt het begrip, naamgeving, herhaling.
Apraxie: doe eens alsof je tanden poetst, steek een lucifer aan, gebruik een schaar
Agnosie: de vraag om met gesloten ogen een klein voorwerp in de hand te identificeren.
Anopsie: controleert de kwadranten in het gezichtsveld.


De 4 D's
Heeft de patiënt tekenen van letsel in de hersenstam of kleine hersenen?


Diplopie: check van de extraoculaire  spieren /oogbewegingen naar boven, beneden opzij naar binnen kijken / scheelzien, dubbelzien.
Dysartrie: beoordeelt het vloeiend spreken. De inhoud is normaal maar de persoon heeft moeite met spreken en is minder verstaanbaar.
Dysfagie: De vraag of er een brok in de keel zit of slikmoeilijkheden bestaan.
Dysmetrie: De vinger-neus-vinger testen, snelle wisselende beweging. Bij dysmetrie schiet de beweging haar doel voorbij. Bij ataxie is de beweging schokkerig.


BAG:

Bewustzijnsniveau - Adequaat - Georiënteerd?

 

SOAP:
Subjectieve klachten, Objectief , Analyse, Plan van aanpak

 

SOEP:

Subjectieve klachten, Objectief , Evaluatie, Plan van aanpak. Bij Evaluatie  is er de duiding van de klachten en symptomen, meestal een of meerdere mogelijke diagnoses.

    Bronnen:

    B. Zonneveld, Het neurologisch onderzoek, Utrecht 1992. ISBN 90-6348-067-9

    Neurologie, 7e druk, Bohn Stafleu van Loghum, ISBN 97 8903 681 1880 medewerking van dr. A. Hijdra, prof. dr. P. Koudstaal, prof.dr. R.A.C Roos, mei 2017

    SOAP for neurology
    medischverband.nl

    https://docplayer.nl/14687801-Het-neurologisch-onderzoek.html

    https://www.domusmedica.be/documentatie/downloads/studiedagen/praktische-vaardigheden-22-11-2014/1040-neurologisch-onderzoek-1/file.html

    http://www.skillslab.ugent.be/PDF/SkillslabNeuro1112.pdf

    Het teken van Hoffman- Trömner